Wakker worden!

De laatste maand van de Joodse kalender heet Elloel. Deze maand valt dit jaar van 7 augustus tot 4 september. In deze maand begint de voorbereiding op Rosj HaSjana, het Nieuwjaarsfeest (1 en 2 Tisjri) en Jom Kipoer, de Grote Verzoendag (10 Tisjri). Deze dagen, en de dagen daar tussenin, de geduchte dagen, staan in het teken van inkeer en omkeer. In de voorbereiding op Jom Kipoer speelt verzoening in relaties tussen mensen een belangrijke rol.

In de maand Elloel is er dus al een voorbereiding op dit alles. Het blazen op de ramshoorn hoort daarbij, na na de morgendiensten op weekdagen. En het bidden van speciale gebeden van berouw en om vergeving, de slichot (‘slicha’ is in het modern Hebreeuws ook ‘sorry’). Deze gebeden nemen ongeveer drie kwartier in beslag Ze komen nog voor het ochtendgebed. In de Sefardische traditie gebeurt dat de hele maand Elloel, steeds dezelfde gebeden. In de Askenazische traditie gebeurt het alleen de laatste dagen, met meer afwisseling.

Ik was bij een lezing waarin enkele gebeden besproken en gezongen werden. Onder andere een oproep tot bidden en smeken, uit de Sefardische traditie, met o.a. de woorden:

Mensenkind, wat mankeert je, dat je zo slaapt?!
Sta op, roep, met smeekgebeden!
Stort je woorden uit,
vraag vergeving (slicha), van de Heer der heren.
Was je, reinig je, treuzel niet,
voordat de dagen voorbijgaan.

De cursieve woorden komen letterlijk uit Jona 1:6. Enkele vertalingen van de vraag:

  • SV : ‘Wat is u, gij hardslapende?!’
  • NBV: ‘Wat lig jij hier te slapen?!’
  • NBG’51: ‘Hoe kunt gij zo vast slapen?!’

Een Joods geschrift (Zohar II, 199a) werkt het uit: Jona is de menselijke ziel, die afdaalt in het lichaam (het schip) in deze wereld (de zee). Een mens kan denken dat hij kan vluchten voor God, maar dan brengt God een dag van oordeel (de storm). Het goede in de mens (de jetser tov) roept, net als de kapitein: ‘Dit is geen tijd om te slapen, want je komt in het oordeel voor alles wat je gedaan hebt. Doe boete over al je zonden!’