Als de bazuinen klinken…

Voor ons hoort daar het woordje ‘Eens’ voor, en dan gaat het om De Grote Dag. Maar in Israël klinken de bazuinen nu al, in de dagen rond het Nieuwjaar (Rosj Hasjana). Als een verwijzing naar die dag, naar het oordeel dat gaat komen. Het is een oproep tot inkeer, zelfonderzoek en verootmoediging.

de sjofar wordt geblazenBij ‘bazuin’ moet je denken aan de sjofar, de ‘ramshoorn’ – maar ook de hoornen van andere dieren worden gebruikt, bv. antilopen of gazellen. Zo zie je soms hele mooie, lange exemplaren. Het blazen van de sjofar gebeurde om de aandacht te trekken voor iets bijzonders of een signaal te geven. Het kon gaan om een alarmsignaal, maar de sjofar werd ook bij andere – ook wel vreugde­volle – gelegenheden gebruikt.

De dagen van Nieuwjaar (Rosj Hasjana duurt twee dagen) zijn de dagen waarop de bazuin het vaakst klinkt. Ze zijn daar ook naar genoemd: jom teroe’a, Het woord teroe’a kan gebruikt worden voor diverse luidruchtige gebeurens, maar heeft vaak bijzonder betrekking op bazuingeschal; tegen­woordig is het ook de aanduiding voor één van de manieren om de sjofar te blazen (zie hieronder).

In Leviticus 23:23 staat het gebod voor bazuingeschal op de eerste dag van de maand Tisjri, die ook een dag van rust en heilige samenkomst zal zijn (zie ook Num. 29:1). Het woord Nieuwjaar wordt niet gebruikt; Tisjri heet daar ‘de zevende maand’ (als je Nisan, de maand van de Exodus als de eerste neemt; op de Joodse kalender is Tisjri de eerste).

Ook rónd Nieuwjaar klinkt de sjofar. Al de hele voorgaande maand, Elloel, als een heenwijzing naar wat komt en een oproep tot voorbereiding en inkeer. Ook klinkt de sjofar nog weer op Grote Verzoendag (op 10 Tisjri) – en daarmee wordt dan de bijzondere tijd van bezinning en zelfonderzoek afgesloten.

Op de Nieuwjaarsdagen zelf klinkt de sjofar in de synagoge honderd keer (tenzij één van de dagen op Sjabbat valt). Dat gebeurt in een afwisseling van drie verschillende klanken, in een vaste volgorde geblazen. De drie soorten sjofar-tonen zijn:

  • tekia – een langgerekte toon (de laatste toon is de ‘grote teki’a’, die zo lang mogelijk aangehouden wordt)
  • sjewariem – 3 korte tonen
  • troea – serie heel korte tonen, een ‘stotterend’ geluid.

Rond het blazen van de sjofar klinken in de liturgie teksten en gebeden. Eén van de teksten die gereciteerd wordt is Psalm 89:16 (of 15): ‘Welzalig het volk dat de klank van de bazuin kent…’ (aldus de HSV, andere vertalingen denken aan jubelgeroep of toejuichen). Ik had er eigenlijk nog nooit zo over nagedacht wat er precies bedoeld is met die woorden.

De berijmingen gaan er een eigen kant mee uit. De berijming van 1773:  ‘Welzalig is het volk dat naar Uw klanken hoort’ (waar je aan moet denken bij ‘Uw klanken’ is eigenlijk niet duidelijk; je denkt al gauw aan Gods Woord, maar dat is niet bedoeld). De nieuwe berijming luidt: ‘Hoe zalig is het volk dat U de lofzang zingt, dat uitbreekt in gejuich als de bazuin weerklinkt.’

In de context van de synagoge-dienst troffen mij die woorden van Psalm 89. Zalig als je die oproep tot inkeer kent en daarnaar luistert. Je weet dan van het bazuingeschal dat komt, het oordeel op De Grote Dag. Je kijkt in dat licht naar je leven nu, en laat Gods oordeel daar over gaan; je legt je toe op tesjoeva (omkeer, bekering). Zo kun je uitzien naar ‘de laatste bazuin; die zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden’ (1 Cor. 15:52).