Een begrafenis

Vandaag hebben we weer een begrafenis meegemaakt. Tineke doet vrijwilligers­werk voor Elah, en als zodanig bezoekt ze (hoog-) bejaarden die uit Nederland naar Israël zijn gekomen, holokaust-overlevenden. Ook de vrouw die nu overleden is. Op een wonderlijke manier is ze destijds gespaard nadat ze  bij een razzia was opgepakt. Bij het station waar ze verzameld werden voor transport is ze uit de rij gestapt en bij een groep Joden gaan staan die (voorlopig) zouden worden vrijgelaten. Deze koelbloedige actie was haar redding.

De vrouw overleed op de avond van Rosh Hasjana. Ze kon dus niet binnen één etmaal worden begraven, zoals gebruikelijk. Eerst kwamen nog de tweede dag van Rosj Hasjana en de gewone Sjabbat (de twee dagen Rosj Hasjana zijn ook rustdagen, net als de Sjabbat). Het duurde dus een paar dagen voor de begrafenis kon plaatsvinden – een ook de bekendmaking via telefoon, mail of dergelijke; orthodoxe Joden maken op een Sjabbat-dag geen gebruik van deze communicatiemiddelen, dus de bekendmaking moet door een bezoek, of, als dat niet mogelijk is, na de Sjabbat.

Bij een Joodse begrafenis wordt hier geen kist gebruikt. Het lichaam, in een rouwgewaad, wordt in een soort zak gewikkeld. Er is geen gelegen­heid om ‘afscheid te nemen’ zoals wij dat gewoon zijn – waarbij de dode nog te zien is. Dit gebeurt uit respect voor de overledene. Die is niet meer de persoon die hij/zij was. Het lichaam wordt op een baar naar het graf gedragen, daarin gelegd, en dan wordt het graf meteen helemaal dichtgemaakt. De aanwezigen leggen er nog een steentje op, voor zij het graf verlaten.

Rond de begrafenis klinkt een paar keer het Kaddiesj, een van de belangrijkste gebeden van het jodendom. Het is meer lof (!) dan gebed. Het gaat om de heiliging van Gods naam en de komst van Zijn rijk. Er zijn een paar varianten. De bekendste daarvan is het Kaddiesj van de wezen. Dat wordt in de synagogedienst gezegd door degenen van wie vader en/of moeder is overleden, nog elf maanden na de sterfdag. Dit Kaddiesj wordt ook door de zoon/zonen (en dochter(s)) gezegd voor en na de begrafenis. Het Kaddiesj-zeggen is een belangrijk onderdeel van het rouwen.

Na de begrafenis begint de rouwperiode, de sjiv’a (vernederlandst: sjiwwe). Tot de begrafenis geldt de regel: ‘Troost uw naaste niet, zolang zijn dode voor hem ligt.’ De focus is dan het respect voor de dode; na de begrafenis komt het respect voor de levenden. Heel uitgebreid, in een week van bijzondere rouw. Men bezoekt de familie, evt. meerdere keren. De naaste familie zit op de grond of op lage bankjes. Men zwijgt, tenzij de familie zelf een gesprek begint. Wel worden de gebeden gezegd met minimaal een minjan. Het is een bijzondere en m.i. betekenisvolle manier van meeleven en troosten.