Eén gezant die dienst weigert

Gisterenavond was ik op een bijeenkomst die ging over het boek Jona. Dat past bij de opmaat naar de Grote Verzoendag, komende sjabbat. Dan wordt het bijbelboek ’s middags in de synagoge gelezen.

Dat boek past bij Grote Verzoendag. Om hoe de inwoners van Ninevé massaal tot omkeer komen. ‘Laat iedereen met kracht tot God roepen en zich omkeren – wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen…’ (3:8v) Wat een contrast met Jona, van wie het de vraag is of hij nog tot inkeer en omkeer komt. Het boek heeft een open eind en laat ons met de vraag achter.

Mij sprak de gedachte aan dat er in het boek Jona een heleboel gezanten voorkomen. God stuurt van alles naar Jona toe: een storm, een enorme vis, een wonderboom, een worm, een gloeiende oostenwind, en wat niet al. God ‘beschikt’ (dat woord klinkt hier herhaaldelijk) – zonder enige moeite. Wat een contrast als je dan kijkt naar die ene onwillige dienaar, om wie het allemaal begonnen is! Wat een moeite met hem, en ook òm hem! Hoe is het mogelijk dat hij niet gehoorzaamt? Hoe is het mogelijk dat hij niet op staande voet ontslagen wordt?

God schiep de mens om voor Zijn aangezicht te staan. Een mooie uitdruk­king; daar hoort bij dat je daar als dienaar bent. Maar wat is het vooral een eer en heerlijkheid, voor Gods aangezicht te mogen leven!

Gods goedheid gaat nog veel verder: als dan een mens toch vlucht, ‘weg van het aangezicht des HEREN’ (1:3), gaat Hij hem achterna – tot in het dodenrijk (vgl. Ps. 139:7-12). Hij wil juist die ene mens toch terug hebben en Hem Zijn wegen leren.

Goed om dat alles tot je door te laten dringen op (weg naar) Grote Verzoen­dag.