Abraham in het NT

Ik volg dit semester een paar colleges in het Schechter-Instituut, o.a. een cursus over ‘Bijbelse gestalten’, gegeven door rabbi David Frankel. Boeiend – mede door de reacties van mijn mede-leerlingen (zeven dames); er zijn veel pittige discussies.

De eerste colleges van deze serie gaan over Abraham. Er is er ook één gewijd aan Abraham in het Nieuwe Testament. Daarover is heel wat te zeggen. Alleen al als je ziet hoe Paulus en Jacobus hem er op heel verschillende manieren bij halen als het gaat om ‘geloof zonder werken’ c.q. geloof dat niet zonder werken kan (Rom. 4 en Gal. 3 tegenover Jac. 2:20-24). De gedachte van Paulus werd uitvoerig belicht; Jacobus kwam eigenlijk niet echt aan de orde.

Bij Hebreeën 11:17-19 werd als interpretatie gegeven: Abraham kon zijn zoon offeren omdat hij geloofde in de opstanding der doden. Waar­schijn­lijk vanuit het weten hoe belangrijk het leven na dit leven in het christelijk geloof is. Ik moet zeggen dat ik deze tekst nooit zo opgevat heb, en deze interpretatie ook wel merkwaardig vind. Het moet in Hebr. 11 toch om een ander soort geloof gaan: dat God Izak al direct uit de doden zou kunnen opwekken, om zo door deze zoon voor nageslacht te zorgen, zoals Hij beloofd had.

Deze les bracht me sterk het gevoel bij dat het tamelijk hachelijk is om echt goed in- en overzicht te krijgen in andere gedachtensystemen. Ik had een paar keer een gevoel van: ‘ja, dat klopt wel zo ongeveer, maar…’ of ‘ja, zo is het ook wel eens gezegd, maar…’, en ‘ja, als je het zo zegt klinkt het ook wel heel raar…’ Ik besef te meer hoe ik zelf ook vaak op glad ijs zit, bij mijn leren, denken en spreken over het jodendom…