Van kwaad tot erger

De afgelopen drie weken nam ik deel aan een studieprogramma van de Conservative Yeshiva in Jerusalem. Elke morgen zat ik van 9.00 tot 12.30 in een taalles, met rond de tien medeleerlingen, met heel verschillende achtergronden. We hebben dit jaar heel erg veel samen gesproken over de dingen die hier gebeurd zijn.

Het was al heftig toen ‘de drie jongens’ (Gilad Sha’ar, Naftali Frenkel en Eyal Yifrach) nog vermist waren. Heel intens waren de bezorgdheid, het meeleven met direct betrokkenen, de bewondering voor de houding van de ouders (m.n. de moeders) en de verontwaardiging. Al gingen veel dingen ‘gewoon’ door, de gedachte aan de gekidnapte jongens was nooit ver weg. Het nieuws werd op de voet gevolgd. Aan de ellende die het zoeken naar de jongens meebracht voor de Palestijnen werden weinig woorden gewijd. De jongens moesten en zouden gevonden worden, ten koste van alles. Het feit dat bij het zoeken tunnels gevonden werden en plekken waar wapens en explosieven geproduceerd werden, werd gezien als extra rechtvaardiging.

Dat werd nog sterker toen het bericht kwam dat de lichamen gevonden waren. Het kwam stukje bij beetje. Het begon met de aankondiging een paar uur tevoren dat er om 8 uur een belangrijke mededeling zou komen. Die kwam eerst nog heel summier. De volgende uren en dagen werd steeds meer bekend. Onder andere dat de jongens al vrijwel direct bruut vermoord waren. Er werd aan Joodse zijde in diverse toonaarden geroepen om wraak, van hoog tot laag.

En toen kwam het bericht dat er een Arabische jongen, Mohammed Abu Khdeir, gekidnapt en gedood was. Het wilde er aanvankelijk niet in. Aan Arabische zijde ging men er direct vanuit dat het een Joodse wraakactie was, en volgden stevige rellen. Bij ons in de klas – en algemeen aan Joodse zijde – werd steeds herhaald: ‘er is nog niets bewezen!’ en werd het veel waarschijnlijker geacht dat het een intern Arabische kwestie zou zijn. Toen het toch een wraakactie van Joodse kant bleek te zijn was dat voor velen een nog veel hardere klap dan de voorgaande.

Eén van de reacties in de klas: “De belangrijkste scheidslijn is niet die tussen Joden en Palestijnen, maar die tussen de extremisten en degenen die dit niet willen. Aan beide zijden zijn extremisten én mensen die hun daden verafschuwen. Er zijn ook slechte Joden en er zijn ook goede Palestijnen.” – “Ja maar, aan Palestijnse zijde worden moorden door velen gevierd, aan Joodse zijde door de meesten verafschuwd.” – “Ja, maar die vergelijking is niet eerlijk; de omstandigheden zijn totaal verschillend. Probeer niet zo wart-wit te denken. Bijt je niet vast in eigen gelijk en (vermeend) beter-zijn.”
Als je er midden in zit blijkt dat heel erg moeilijk te worden.

We lazen in een les een artikel uit de krant Jedi’ot Achronot (7 juli), in naam van president Simon Peres en van Ruven Rivlin, die hem per 24 juli a.s. zal opvolgen. Het begint met een citaat van Bialik: “Vervloekt wie zegt: wreek!” Ze zeggen: Er is in Israël geen verschil tussen bloed en bloed. Moord op jongeren – Joods of Arabisch – accepteren we niet. Maar laat niemand het recht in eigen hand nemen. En bedenk dat woorden kunnen doden; onze geschiedenis laat dat zien. We moeten blijven zoeken naar een goed samenleven. We hebben geen andere mogelijkheid. We hebben geen ander land. We moeten kiezen tussen enerzijds een houding van opruiing, racisme, extremisme en terreur, of anderzijds het bestrijden daarvan met alle mogelijke middelen. Het artikel eindigt met de woorden: “Het is tijd om toekomstig bloedvergieten te voorkomen. Het is in onze handen.”

Ondertussen is het nog verder gegaan, van kwaad tot erger. De reactie van Hamas op wat de Palestijnen werd aangedaan was het afvuren van raketten. Israël heeft daarop aanvankelijk nog afwachtend gereageerd, en ‘rust voor rust’ aangeboden. Het werd er alleen nog maar erger op. Israël probeert daar nu met geweld een einde aan te maken. Je kunt alleen maar heel erg somber zijn over wat dat gaat kosten en opleveren. Maar is er een alternatief? Het is verbijsterend om te ervaren hoeveel we niet in de hand hebben. Hoe groot de krachten van kwaad en kwaadheid zijn. Hoe het alleen maar van kwaad tot erger lijkt te kunnen gaan…