Joods terrorisme

Van alle kanten is heftig gereageerd op twee verschillende terreurdaden die de laatste dagen van juli plaatsvonden:

  • Op 31 juli om 2 uur ’s nachts was er een aanslag in het Arabische dorp Duma. Twee huizen werden in brand gestoken. Eén was leeg, het andere bewoond. Daar werd Ali Dawabshe, een peuter van 18 maanden, levend verbrand. De rest van de familie (vader Sa’ad, moeder Reham en een Ahmed, een broertje van 4) raakten ernstig gewond. Op de muren van de huizen was graffiti gespoten: “Wraak!” en “Leve Koning Messias!”
  • Een dag eerder werden bij een Gay Pride mars in Jeruzalem zes mensen neergestoken. Shira Banki, een meisje van 16, overleed naderhand aan de verwondingen. De dader was een ultra-orthodoxe Jood.

Ik neem u graag even mee op een rondgang langs verschillende reacties.

“And Yet there is a Difference…”

Baruch Maoz betoogde op Facebook, dat dit Joods terrorisme toch anders is dan dat van de Palestijnen:

“Deze criminelen zijn NIET een van ons. Zij zijn de rotte vrucht van een extremisme dat wij verafschuwen. Ze zijn gehekeld door onze regering, aan de schandpaal genageld door onze pers, verstoten door het publiek, en ze worden gezocht door de beste recherche en inlichtingendienst. Als ze worden gevonden, zullen ze worden vervolgd en bestraft.
Israelische kinderen en families zijn in koelen bloede vermoord door Palestijnse terroristen. Hun acties zijn niet veroordeeld door de Palestijnse Autoriteit (…), de pers of het publiek. Integendeel, de PA heeft straten genoemd naar omgekomen terroristen en hun daden gevierd, geeft hun families financiële beloning en prijst hen als voorbeeldige martelaren.”

Ron Cantor schreef op zijn website Messiah’s Mandate een blog in dezelfde lijn: “In Palestina zijn moordenaars helden, in Israël worden moordenaars vervolgd.

Ongetwijfeld hebben deze en dergelijke reacties een punt. Al zijn er onder Palestijnen ook die Palestijnse terreurdaden verafschuwen, en al zijn er onder Joden ook die Joodse terreurdaden toejuichen – de verhoudingen liggen wel heel verschillend.

De hand in eigen boezem

In verschillende reacties werd een spa dieper gestoken. Israël kan niet doen alsof dit een randverschijnsel is. Er is aan Joodse zijde meer mis en er is een diepgaand zelf­onderzoek nodig, zo werd op verschillende manieren betoogd.

Samuel Lebens, een orthodoxe rabbi, schreef in HaAretz (d.d. 31 juli): “We Are to Blame for the Jerusalem Gay Pride Parade Stabbing.” Hij grijpt terug op een toespraak die rabbi Aaron Lichtenstein na de moord op Rabin hield in zijn jesjiva: “Zeg niet dat Yigal Amir, die Rabin vermoordde, een slechte uitschieter was, maar erken dat onze gemeenschap een retoriek laat rond­zingen die zo furieus tegen Rabin en zijn politiek was dat een ziek individu het in zijn hoofd kon halen dat het Jodendom zo’n afschuwelijke misdaad zou sanctioneren.”

Deze uitspraak was, aldus Lebens, een goed voorbeeld van de Joodse praktijk van chesjbon hanèfèsj (letterlijk: rekening opmaken van de ziel); “zelf­beproeving”, kritische reflectie op eigen doen en denken, om in moreel opzicht te groeien. Ook Lebens wil de hand in eigen boezem steken.

“Ik wijs niet van buitenaf met een beschuldigende vinger. Ik kijk naar binnen. Ik ben religieus. Het is míjn gemeenschap die heeft gefaald. (…) Tot op zekere hoogte hebben wij allen het mes van deze krankzinnige extremist geslepen. (…)
Wij hebben in onze onderlinge discussies over homo­seksu­ali­teit niet alleen een klimaat gecreëerd dat maakt dat homofiele Joden zich schuldig voelen en geïsoleerd en gemeden en gehaat, maar ook een klimaat waarin een slechte uitschieter [‘a bad seed’] kon gaan denken dat moorddadig geweld tegen mensen in een Pride Parade een heilige actie is.”

Op een andere manier legt Gideon Levy, columnist van HaAretz, de schuld niet alleen bij de daders. Hij schreef een column onder de titel “All Israelis Are Guilty of Setting a Palestinian Family on Fire” (d.d. 2 augustus). Hij wijst erop hoe er door het leger veel Palestijnen worden gedood. “Als het doodschieten van Palestijnen bijna dagelijks voorkomt – er zijn er sinds de dodelijke brandstichting [dus binnen 2 dagen] alweer twee gedood – wie zijn wij dan om te klagen over de brandbomgooiers in Duma? (…) Dit is de atmosfeer, dat is het resultaat.” Vervolgens noemt Levy de politici die azen op de stemmen van de settlers. Het afgeven van vergunningen voor nieuwbouw in de settlements laat zien dat geweld niet alleen ongestraft blijft, maar ook loont. En dan de politie. Levy: “In de laatste drie jaar zijn er negen Palestijnse huizen in brand gezet, volgens B’Tselem. Hoeveel mensen zijn vervolgd? Niet één. Dus wat gebeurde er vrijdag in Duma? Het vuur was simpelweg beter, in de ogen van de brand­stichters en hun aanhang. Bij die aanhang horen allen die zich stil houden, vergeven, en denken dat het kwaad wel binnen de perken van de Westbank zal blijven.” Bij die aanhang horen ook allen die ervan overtuigd zijn dat het volk Israël het uitverkoren volk is, en daarom alles mag.

“Uiteindelijk is dit wat leidt tot het verbranden van mensen die God niet verkozen heeft. Geen principe in de Israëlische samenleving is destructiever of gevaarlijker dan dit. En geen is algemener. Als je goed kijkt naar wat er bij de meeste Israëli’s onderhuids leeft zul je vinden ‘het uitverkoren volk’. Als dat een fundamenteel principe is, is de volgende aanslag een kwestie van tijd.
(…)
what occurred couldn’t have not happened; what happened was dictated by the needs of reality, the reality of Israel and its value system. What happened will happen again, and no one will be spared. We all torched the Dawabsheh family.

De column is vlijmscherp en overtrokken – zoals dat bij columns hoort. Enerzijds: ja, dat je met verkiezing helemaal de verkeerde kant op kunt gaan, dat zie je al in de Bijbel, heel nadrukkelijk. Het gevaar is vandaag de dag niet minder; het gebeurt zeker ook nu nog. Maar anderzijds: heel veel zie ik bij religieuze Joden juist een ander besef – wel van verkiezing, maar dan niet zo dat dat betekent dat je alles kunt maken; integendeel: het gaat erom dat je als zodanig een zegen en een licht voor de volkeren zult zijn.

Dat besef klinkt door in het slot van een artikel van rabbi Ron Kronish in The Times of Israel van 2 augustus:

“In onze synagogen, in Israël en over heel de Joodse wereld, hebben we de laatste paar weken – voor en na Tisja be’Av – gelezen uit Jeremia en Jesaja. Die waarschuwden ons voor moreel verval en herinnerden ons aan wat wij bedoeld zijn te zijn. Een week geleden bood Jesaja ons een visioen van een betere toekomst – zoals we lezen aan het eind van het eerste hoofdstuk: ‘Sion zal door recht verlost worden, en door gerechtigheid diegenen van haar die zich bekeren.’ Nu is het tijd om de richting te kiezen van Jesaja’s woorden en terug te keren tot zijn visioen, voor het te laat is.”

Tisje be’Av viel dit jaar op 26 juli. Het is de gedenkdag voor de verwoesting van tempel: zowel de eerste als de tweede tempel zouden op die datum verwoest zijn (resp. 586 voor Chr. en 70 na Chr.). Kronish vertelt hoe een andere rabbi tegen hem n.a.v. de terreur­daden van een paar dagen later zei: “Wij zijn getuigen van de choerban habajit hasjlisji“, de verwoesting van het derde huis. Dat betekent: onze religieuze wereld stort in, met een klap zo zwaar als de verwoestingen van de tempel. Even later hoorde hij via de radio gelijke woorden van een rabbi die daarop begon te huilen.

Time for Action

Dat artikel van Kronish is getiteld “An Emergency Situation – It Is Time for Action.” Kronish roept op tot actie. Tot demonstraties om te roepen “Genoeg!” En tot stevig optreden van de overheid. “Het is hoog tijd voor de overheid om met deze gevaarlijke Joodse terroristen grondig af te rekenen, hun rabbi’s te arresteren vanwege opruiïng. Een griezelige en zeer zieke vorm van Jodendom wordt geleerd in bepaalde jesjiva’s op de Westbank en in Israël.”

Kronish sluit aan bij Amos Harel; hij citeert een groot deel van diens artikel “Israel’s Meekness in the Face of Jewish Extremism Carries a Heavy Price” (d.d. 31 juli). Harel stelt dat, doordat de autoriteiten steeds soft reageerden op de ‘price-tag’-plegers, deze zich hebben ontwikkeld tot een ware terreur­organisatie. Israëls president Reuven Rivlin zei op diezelfde dag: “Het ziet ernaar uit dat wij laks geweest zijn in onze aanpak van de manifestaties van Joods terrorisme. Wellicht hebben we niet bij ons laten binnenkomen dat we te maken hebben met een vastberaden, gevaarlijke, ideologische groep, die beoogt de wankele bruggen waar wij aan werken te vernietigen.”

Judah Ari Gross, in “How Israel handcuffed itself in the fight against Jewish terror” (Times of Israel van 3 aug.) en Ariel David, in “Israel’s Dismal Record of Arresting and Convicting Jewish Terrorists” (HaAretz van 4 aug.) leggen er de vinger bij dat er maar een heel klein aantal van de aangiften van diverse vormen van geweld of intimidatie jegens Palestijnen hebben geleid tot veroordeling. Ze verwijzen naar een rapport van Yesh Din (een Joodse mensen­rechten­organisatie). Onderstaand een grafische weergave van een rapport:Lack-of-Conviction

De eerder genoemde Amos Harel schreef op 3 augustus weer een artikel in HaAretz: “Settler terror underground seeks to overthrow Israeli government, say investigators.” Hij stelt:

“Anders dan in het verleden is er nu het inzicht dat de aanvallers er niet langer op gericht zijn de autoriteiten af te schrikken van het ontruimen van out­posts en settlements. Ze hebben nu ambitieuzere doelen, als het destabili­seren van het land en het omverwerpen van de regering en het vestigen van een nieuw regime, gebaseerd op de halacha, de Joods wet. (…)
Deze ideologische verschuiving bij deze bende gewelddadige jonge Joodse fanatici, ‘price-tag’ activisten en ‘hilltop youth’ genoemd, werd door de veiligheidsdienst en de politie eind vorig jaar onderkend. De terroristen concludeerden dat moskeebranden oude koek geworden zijn, en dat een bredere aanpak nodig is.”

Israel Hayom cartoon 2015-08-02In de politiek is de roep om een stevige aanpak in alle toonaarden te horen. Netanyahu heeft gezegd dat er nu een zero-tolerance beleid gevoerd zal worden. Voor het eerst wordt ‘administratieve detentie’ (arresteren en lange tijd gevangen houden zonder proces) ook op Jóódse terreur-verdachten toegepast. Moshe Ya’alon, minister van defensie: “Deze drastische maatregel is één van de manieren waarop Israël zal terugslaan naar de Joodse terroristen, hen voor het gerecht brengen, en de democratie en de burgers van Israël zal beschermen.”

Extremisten

Het extremisme kan heel ver gaan. Schokkend waren bv. de uitlatingen van Benzi Gopstein (zie de website van Israel Hayom, “Head of extremist anti-Arab group backs burning churches in Israel” en van HaAretz, “Israeli Extremist Group Leader Calls for Torching of Churches“, beide d.d. 6 augustus). Tijdens een paneldiscussie over afgodendienst, in de Wolfson Yeshiva in Jeruzalem vroeg iemand: “Staat u achter de brandstichting bij kerken in Israël?” Zijn antwoord: “Natuurlijk! Had u daar enige twijfel over?” Volgens Gopstein was dit het standpunt van Rambam en is het een mitzwa (goddelijk gebod). Het is wel de verantwoordelijkheid van de overheid, niet van individuen. Op het commentaar van een panellid: “als dit de politie ter ore komt, wordt u gearresteerd”, zei Gopstein: “Als dat zo is, dan ben ik bereid er vijftig jaar voor de cel in te gaan. Maar laten ze eerst onderzoek doen naar de predikers in de moskeeën en de knessetleden Tibi en Zoabi; dan mogen ze bij mij terug komen.”

Chaim Levinson schreef “Inside the World of the Extremist Trying to Lead a Jewish Revolt.” Hij vertelt daarin hoe Meir Ettinger (maandag gevangen genomen) en de beweging steeds extremer werden en steeds verder gaande doelen nastreven.

Is dit nu een kwestie van enkele (?) uitschieters, of gaat het om meer?

David Grossman schreef: “Will the Israeli Right Finally Come to Its Senses?” De aanslag in Duma is z.i. een symptoom van een veel ernstiger ziekte, en maakt duidelijk, “met vurige letters”, dat het pad naar een betere toekomst zich sluit. De meest recente brand­stichting is volgens Grossman niet los te zien van het vuur dat de regering al decennia lang opstookt. De bezetting heeft bij velen in Israël geleid tot het idee dat er twee soorten mensen zijn; dat de een ondergeschikt en daarom ook inferieur is aan de ander. Dat verklaart het ontstellende gemak waarmee ‘die ander’ gedood kan worden – zelfs al is hij nog maar anderhalf jaar oud.

“Degene die het huis van de familie Dawabsheh in brand zette wist niets van hen, hun verlangens en aspiraties. Alleen dat ze Palestijnen zijn. En dat was genoeg reden in zijn ogen – en in de ogen van hen die hen zonden en onder­steunen – om hen te doden.”

Al meer dan een eeuw bewegen Israëli’s en Palestijnen zich in cirkels van moord en wraak. Maar wat er nu gaande is – een proces van de laatste jaren – is een nieuw gevaar. Israëls rechtse leiders onderkenden niet, of weigerden te erkennen dat Joodse terreur de oorlog heeft verklaard aan de staat. Met elke dag die zo voorbijgaat komen duistere, fanatieke krachten los, zichzelf aanwakkerend in een vuur van religieus en nationalistisch geloof.

“Ze lappen aan hun laars de grenzen van de realiteit, de grenzen van de moraliteit en de regels van simpele logica. (…) Hoe gevaarlijker en fragieler de situatie wordt, hoe meer zij opbloeien.
Er is geen compromis mogelijk met deze mensen. De regering van Israël moet hen bestrijden net zo als zij Palestijnse terreur bestrijdt. Zij zijn niet minder gevaarlijk voor het welzijn van het land. Zij zijn niet minder vast­beraden. Ze zijn mensen van ‘alles of niets’.

Het is moeilijk om te zien hoe de complexe toestand kan worden ontward en hersteld tot een gezonde situatie. Grossman ziet als oorzaak van de toestand dat Netanyahu en zijn vrienden (net als de meeste van zijn voorgangers) hebben geaarzeld ten aanzien van het activisme van de kolonisten, of zich met hen hebben geïdentificeerd. “Decennia lang nu heeft Israël zijn duistere kant naar de Palestijnen toegekeerd, maar die duisternis is nu haar eigen interne organen binnengedrongen. Dit proces is zeer versneld na Netanyahu’s overwinning bij de laatste verkiezingen.”

Even hard wordt van andere kant geroepen dat het niet aangaat om ‘Rechts’ het Joodse terrorisme in de schoenen te schuiven. Gavi Avital schreef, in “Hunting season against the Right” (Israel Hayom van 4 aug.): De haat jegens outsiders, die mij en mensen rondom mij aangewreven wordt, zul je bij ons niet vinden. Integendeel, het is op linkse demonstraties dat je uitgesproken haat ziet jegens wat ‘the Right’ of ‘the religious’ genoemd wordt. Er is geen media platform, niet één staatskanaal, dat ook maar probeert om een compleet plaatje te geven. Vragen worden op een onplezierige manier gesteld, neerbuigend, vaak misplaatst. Zoals die aan minister van educatie Naftali Bennett: “Historisch gezien komt dit [Joods geweld] uit uw kamp. Ami Popper [die zeven Palestijnen doodde], Yona Avrushmi [die een granaat gooide bij een linkse demonstratie] en Yigal Amir [die president Rabin vermoordde] Wat kan ik ervan maken? Is het niet uw kamp dat deze mensen voortbrengt? Al deze mensen droegen een keppel.”

Avital verwijst naar “Ha’saison”, een Hebreeuws-Franse uitdrukking voor “La Saison de Chasse” (het jachtseizoen): een periode in het midden van de veertiger jaren waarin Joden andere Joden vervolgden, wat de Engelsen in de kaart speelde. De reden voor de vijandigheid was de kloof tussen de verschillende wereldbeschouwingen. Enorme generalisatie, vijandige interpretaties, eenzijdige analyses – dat waren de wapens toen, zoals ze dat ook nu zijn. De geschiedenis herhaalt zich. Vanwaar de haast waarmee wordt gedaan alsof een geesteszieke man, die gevangen gezeten heeft voor een steek­partij, de levensbeschouwing en levenswijze van meer dan de helft van het Israëlische publiek uitmaakt?


Tot zover een paar van de vele, vaak heel heftige reacties op de twee gruwelijke aanslagen van eind vorige week. Genoeg, lijkt me, om iets te laten voelen van de enorme tegenstellingen, spanningen en bedreiging in de Israëlische samenleving, ook bínnen de Joodse gelederen.