Dodenherdenking op 5 mei

Vandaag, 5 mei 2016, is het in Nederland bevrijdingsdag. In Israël is het Jom Hasjoa Wehagevoera, de dag waarop de Sjoa (letterlijk: ‘vernietiging’), de moord op 6 miljoen Joden wordt herdacht – én ook de Gevoera (‘heldhaftig­heid’), de moed van degenen die in opstand kwamen.

De stichting Elah – voor psycho-sociale begeleiding van uit Nederland afkomstige Overlevenden – organiseert elk jaar op Jom Hasjoa een herdenking. Dit jaar met het thema: ‘De bitterzoete smaak van vrijheid’. Dat doet recht aan de betekenis van vandaag in Nederland en in Israël. Het einde van de Tweede Wereldoorlog was en is iets om te vieren – maar voor de Joden was het bepaald niet het einde van hun lijden. Voor hen brak een nieuwe fase van lijden aan.

Ik herinner me nog heel goed twee momenten waarop iets daarvan tot mij doordrong.

  • Het was in mijn studententijd dat een Joodse spreker ineens een heel ander licht wierp op het moment dat de ark weer openging. Ik zag daarbij in gedachten de koeien naar buiten springen; alle dieren blij, en ook Noach en family – zo dacht ik. Met dan nog de regenboog erbij een idyllisch plaatje. Maar hoe anders zal het geweest zijn voor de paar survivors van de vloed. Voor die overlevenden moet het gruwelijk geweest zijn. Ze betreden een doodstille, macabere wereld: het terrein van een massamoord, een aarde bezaaid met lijken.
    Abel Herzberg heeft aan het lijden van overlevende Joden de naam Noachose gegeven: het overgebleven en aan zichzelf overgelaten enkeling zijn, met peil­loze eenzaamheid, met een intens missen van mensen (geliefden en familie en vrienden en vage bekenden, ‘je wereld’), en met kwellende vragen – en ook een schuldgevoel om het overleven. Dat laatste klinkt misschien vreemd, maar je hoort het steeds weer: het als een van de weinigen overleven legt een enorme druk op het verdere leven.
  • Bij een van de keren dat ik in Jad Wasjem was raakte me het slot van de tocht door de oorlogsjaren heel diep. Het wordt steeds heftiger wat je in de verschillende hallen te zien krijgt. Als je dan komt in de laatste zaal denk je: nu komt de be­vrijding! Maar als je denkt dat je alles gehad hebt word je nog eens geconfronteerd met – nog weer op een andere manier – de meest hart­verscheurende dingen.

Op de Elah-herdenkingsbijeenkomst hoorden we weer schrijnende verhalen over de oorlog, en nu dus vooral ook over de tijd erna. In de oorlog heeft ‘Nederland’ het er niet best van afgebracht (Nederland heeft het hoogste percentage omgekomen Joden, ong. 80%). Na de oorlog was het niet beter. Terugkerende Joden werden niet met open armen ontvangen, integendeel! Joodse bezittingen waren ingepikt; veel Nederlanders dachten er niet over iets terug te geven. Er waren ‘onderduikouders’ die ‘hun’ kinderen niet meer aan de Joodse ouders wilde teruggeven. Joden kregen te horen: ‘wij hebben hier ook honger geleden’ – wat kun je dan nog zeggen… Joden kregen nog belasting­aanslagen over wat ze in de oorlog waren kwijtgeraakt.
Isaac Lipschits schreef in zijn boek De kleine sjoa. Joden in na­oorlogs Neder­land : ‘De opvang was zo kil, zo bureau­cratisch, vijandig en vernederend, zo teleurstellend, dat ik de naoorlogse periode de tijd van de kleine sjoa noem.’

Het was een indrukwekkende bijeenkomst. Ver van het vieren van de bevrij­dings­dag in Nederland. We proefden ‘de bitterzoete smaak’ die de bevrijding voor Joodse over­levenden had – met diepe schaamte en pijn over hoeveel bitterheid hen is aangedaan, ook op het moment dat Nederland bevrijd was.