Gij zult de vreemdeling liefhebben

Bij een lezing ging het over waar de Tora gebiedt lief te hebben, en wie, en hoe. Vanuit het Nieuwe Testament kennen wij het dubbelgebod van de liefde heel goed, maar tegelijk is daardoor een derde liefdesgebod vaak buiten beeld. De Joodse inleider legde de vinger bij het belang van juist dat gebod – als bijzondere concretisering, en zeker ook in onze tijd bijzonder sprekend en nodig.

Als christenen weten we: Het grootste gebod is: ‘U zult de HERE uw God liefhebben’ (Deut. 6:5, 11:1, 30:16, vgl. 10:12).

En ook: het tweede, daaraan gelijk is: ‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf.’ (Lev. 19:18). Dit komt veel eerder in de Tora dan het gebod om God lief te hebben. Het komt overigens maar één keer voor.
Je kunt het lezen als: ‘je moet de ander liefhebben zoals je jezelf liefhebt’ – op dezelfde manier en/of in gelijke mate. Een andere uitleg is: ‘je moet de ander liefhebben: hij is zoals jij.’ Buber verdeutscht: ‘Halte lieb deinen genossen, dir gleich.’ De ander is ten diepste zoals jij, staat in wezen naast jou en jij naast hem; je kunt navoelen wat hij doormaakt en verlangt en nodig heeft.
Er is ook wel van gemaakt: ‘je moet de ander liefhebben die is als jij’, dus: (alleen) diegene die is zoals jij. Dat verdraait de betekenis, 180°, maar dat is ook bij wie anders leert evengoed wel vaak de praktijk – een praktijk waar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan korte metten mee maakt. Ook in de Tora is duidelijk dat daar niets van klopt.

De Tora heeft nog een gebod om lief te hebben: ‘U zult de vreemdeling liefhebben.’ De eerste keer klink dat vlak na het gebod je naaste lief te hebben, in Leviticus 19:34:

‘De vreemdeling die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u.
U moet hem liefhebben als uzelf,
want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte.
Ik ben de HERE, uw God.’

Bij dit liefdesgebod staat een motivering. Dit gaat ook wel het allerminst vanzelf. Het wordt niet opgehangen aan iets van die vreemdeling – dat hij wel meevalt, of economisch van betekenis kan zijn of zoiets. Nee, maar ‘je was het zelf ook’ – je bent niet beter, en je weet toch zelf wat het is, vreemdeling zijn… Israël draagt het mee in het collectieve, heilshistorische geheugen. De liefde tot de vreemdeling is genetisch (vanuit de ‘wording’) bepaald – of althans, gemotiveerd.

Het gebod om de vreemdeling lief te hebben wordt nog eens herhaald, in Deuteronomium 10:19:

Want de HERE, uw God, is de God der goden en de Here der heren;
die grote, machtige en ontzagwekkende God,
die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,
die recht verschaft aan de wees en de weduwe,
die de vreemdeling liefheeft
door hem brood en kleding te geven.
Daarom moet u de vreemdeling liefhebben,
want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte.

De eerder genoemde motivering wordt herhaald, maar daar komt nog wat bij: de HERE zelf heeft de vreemdeling lief en is goed voor hem, en in navolging van hun God zal ook zijn geliefde volk de vreemdelingen moeten liefhebben. Gods liefde beperkt zich niet tot eigen volk. Hij wil dat volk op Zijn spoor zetten – het spoor van de liefde die een liefde metterdaad is, die zich niet beperkt tot de eigen groep. Niet alleen de mensen die zijn zoals jij, maar expliciet ook degene die anders is, een andere achtergrond heeft.

In Nederland spreken we tegenwoordig van de ‘inwoners met een migratie-achtergrond’. Voor Israël ligt het nog een beetje ingewikkelder, waar het juist de Joden zijn die een immigratie-achtergrond of -verleden hebben. Hoe dan ook – het derde liefdesgebod is hoogst actueel. Voor de Joden in Israël. En voor de christenen in Nederland niet minder.