Individu en gemeenschap

Twee keer achter elkaar kwam ter sprake dat het christendom vooral persoonlijk en individueel denkt, terwijl in het Jodendom de gemeenschap vooropstaat.

De eerste keer was toen ik een inleiding hield voor een aantal studenten van een Beet Midrasj, over het christelijk geloof en mijn beleving daarvan. De eerste van een serie van drie ging over Salvation, redding/heil. De eerste reacties was: het fascineert mij dat jullie een heel persoonlijke benadering hebben. Jullie spreken veel over en vanuit persoonlijk geloof en een persoonlijke relatie met God. Voor ons is het collectief veel belangrijker. Wij Joden voelen ons vooral onderdeel van het volk Israël, van het Jodendom. Het collectief staat voorop.

Twee dagen later was ik bij een bijbelstudie die rabbi Pesach Wolicki gaf. Hij is verbonden aan het CJCUC, Center for Jewish-Christian Understanding and Cooperation. Dat is tegenwoordig gehuisvest in het Bible Lands Museum. Een van hun activiteiten is dat daar elke week een bijbelstudie wordt gegeven, door een Joodse medewerker, voor een voornamelijk christelijk publiek.

Wolicki begon zijn bijbelstudie over Psalm 116 met een opmerking met dezelfde strekking als de reactie op mijn inleiding. Hij vertelde hoe hij in zijn vele contacten met christenen steeds weer werd getroffen door de nadruk op persoonlijk geloof. In het Jodendom bid je bij voorkeur samen en voel je je daarbij verbonden met het Jodendom wereldwijd, waar overal dezelfde gebeden worden gezegd – en ook met het Jodendom van alle eeuwen, waarin diezelfde gebeden al eeuwen- of millennia lang gezegd zijn. Natuurlijk is er ook bij christenen verbondenheid met mede-gelovigen, en bij Joden ook persoonlijk geloof en beleving. Het onderscheid is zeker niet absoluut, maar toch wel significant.

In Psalm 116 zie je het heel persoonlijke. ‘Ik heb de HERE lief, want Hij hoort mijn stem, neigt Zijn oor tot mij, daarom zal ik Hem aanroepen’, enz.: ‘ik ondervond’, ‘ik riep…’, ‘ik heb geloofd, daarom spreek ik’. De dichter spreekt heel persoonlijk, vanuit zijn specifieke situatie. Hoewel – wat weten wij daar nu eigenlijk van? Wat was er precies aan de hand? Eigenlijk zijn het woorden waarin vele (misschien welhaast alle) gelovigen zich kunnen vinden, op de een of andere manier. De woorden zijn wel heel, maar toch niet puur persoonlijk.

Psalm 116 loopt ondertussen wel uit op de gemeenschap, in vs. 12-14 al, en in vs. 17-19 heel concreet, als het gaat over het huis van de Here en over Jeruzalem. Opmerkelijk is daarbij hoe de psalm drie keer spreekt over, letterlijk vertaald, ‘in de naam van de Here roepen’. In vs. 4: ‘ik riep de naam van de Here aan’ – vanuit de nood roept de dichter ‘Help!’ In vs. 13 en 17 lijkt het in feite meer om het uitroepen van de naam van de Here te gaan (zo de Goed Nieuws vertaling). Dezelfde uitdrukking vinden we ook als er staat dat Abraham in Kanaän altaren bouwt; hij roept dan ‘in de naam van de Here’; hij roept dan die naam aan en uit, hij bidt én proclameert. Het kan samengaan – en in Psalm 116 zien we het gaan van het persoonlijke naar het gemeenschappelijke.

De beide accenten – op individu en collectief – vullen elkaar aan. Ze hebben elk een eigen plaats en betekenis. En het is mooi als je dat heel concreet gaat zien in de ontmoeting met elkaar.