Wat de mond uitgaat…

Ik hoorde bij een overweging naar aanleiding van de parasja van de week (Tazria+Metsora, Lev. 12-15) een mooi verhaal. Het gedeelte spreekt over onreinheid en reiniging. Door rabbijnen is gezegd dat kwaadspreken een van de ergste vormen van verontreiniging is. Hoe erg de gevolgen zijn leren we van dit verhaal:

Een man zag dat de rabbi bij een groentekraam een appel pakte en meteen opat, zonder te betalen. Hij vertelde het overal rond en het gerucht dat de rabbi een dief was verspreidde zich als een lopend vuurtje.
Het kwam uiteindelijk ook de rabbi ter ore, en die wist te achterhalen wie de bron was. Hij riep de roddelaar bij zich en vertelde hem dat het net iets anders lag: de rabbi had voor de eigenaar van de groentekraam iets gedaan, maar wilde daar absoluut niets voor hebben. ‘Doe mij dan een genoegen: neem elke keer wanneer u langs mijn kraam komt wat u maar wilt, zonder betalen.’
De roddelaar begreep nu hoe fout hij zat, en vroeg de rabbi om vergeving. ‘Die kun je natuurlijk krijgen. Maar ik wil wel dat je vanmiddag met een donskussen naar het dak van dit huis komt.’ Aldus geschiedde. De rabbi sneed het kussen open en schudde het uit. De veertjes werden meegenomen door de wind. ‘Ga nu alle veertjes weer terugbrengen!’
Een onmogelijke opdracht – die de man pas echt deed beseffen hoe erg het was wat hij gedaan had. Inderdaad, roddel is en brengt verontreiniging.

Ik moest natuurlijk denken aan hoe Jezus het al gezegd heeft: ‘Niet dat wat de mond ingaat maakt de mens onrein, maar dat wat uit de mond komt’ (Matth. 15:11)