Afscheidsontbijt

In augustus komt er een eind aan de periode dat wij voor het CIS in Jeruzalem werken. We zijn druk met afscheid nemen en doen dat in een aantal gevallen met een etentje. Een daarvan was een ontbijt met een bijzondere groep: ‘onze vertellers’. Dat zijn mensen die aan onze groepen hun persoonlijke verhaal vertellen over de Tweede Wereldoorlog en wat daarna kwam.

Onze reisgroepen brengen een bezoek aan Yad Vashem. Het verhaal van Yad Vashem is enorm overweldigend, te groot om te bevatten. In de ontmoeting met ‘onze vertellers’ – die toen in Nederland woonden, en nu in Israël – gaat het om kleine stukjes daarvan, maar wel heel direct. Daardoor ga je nog meer – of nog weer op een andere manier – beseffen hoe verschrikkelijk en onbegrijpelijk het is wat er in de Tweede Wereldoorlog gebeurd is. En daarna! De meeste van de vertellers zijn ‘child-survivors’, die kort voor of in de oorlog geboren zijn. Je kunt denken: als ze toen nog zo jong waren zullen ze er weinig van meegekregen hebben. Niets is minder waar. Het is aangrijpend te horen wat zij ook na de oorlog nog doorgemaakt hebben (o.a. door de houding van veel Nederlanders tegenover de overlevenden) en hoe de oorlog diepe, blijvende sporen getrokken heeft in hun leven.

Om deze mensen te bedanken en ook persoonlijk afscheid te nemen hebben we hen uitgenodigd voor een uitgebreid ontbijt. Dat was ook een goede gelegenheid om met elkaar te spreken over hoe zij de ontmoetingen ervaren hebben. We spraken ook over hun motivatie om dit telkens weer te doen. Het is vaak heel heftig voor hen. Zij moeten er heel wat voor opbrengen. Maar ze doen dit uiteindelijk toch graag en met inzet. ‘We mogen nooit vergeten wat er gebeurd is – omdat het nooit meer mag gebeuren. Ook de nieuwe generaties moeten ervan horen, om gewaarschuwd mens te zijn.’

Een antwoord dat mij bijzonder raakte was: ‘Ik doe dit om degenen die omgebracht zijn te eren. Mijn ouders en veel anderen. Ik als overlevende voel mij tegenover hen verplicht om de herinnering aan hen levend te houden. Ik draag dit aan hen op. Dan denk ik dat zij niet voor niets gestorven zijn.’

Als CIS willen we in onze reizen veel ontmoetingen met mensen in Israël. De indrukwekkende ontmoetingen met de holocaust-survivors nemen daarbij een bijzondere plaats in. Hun bijdrage wordt door ons en door onze groepen enorm gewaardeerd. Bij de ontmoetingen zie je dat al door hoe bijna iedereen op het puntje van z’n stoel zit.

Een van de deelnemers kwam met een dvar Tora – een woord vanuit de Tora. In het Tora-gedeelte van die week staan woorden van Bileam over Israël: ‘Zie, een volk dat alleen woont…’ Hij zei: ‘Dat kennen wij als ervaring: apart te staan, in de steek gelaten te zijn. Toen. Nog. Maar de contacten die we op deze manier hadden met het CIS en CIS-groepen – en andere, dergelijke – zijn des te weldadiger. We zijn blij dat jullie naar ons toekomen en voor hoe jullie ons verhaal willen horen.’

Hij kwam ook met gematria. De getalswaarde van mijn naam, Brons (ברונס), is 318. Dat schrijf je normaliter als שיח = siach = gesprek. Dat past precies bij waarvoor ik namens het CIS in Israël ben en bij wat ik op allerlei manieren heb mogen doen: het gesprek zoeken, luisteren, van hart tot hart spreken. Daarbij gebeuren echt goede dingen! Gelukkig is het niet aan mijn naam verbonden. We hopen en bidden dat er spoedig een opvolger zal zijn, en dat het CIS nog veel zal doen voor en met diverse Joods-christelijke gesprekken.