Het CIS aan de HaPalmach Street in Jeruzalem

Wie het adres voor het Centrum voor Israël Studies zoekt komt uiteindelijk terecht in Ede, aan de Christelijke Hogeschool aldaar. Maar sinds kort is er een nieuw tweede adres. Het is tijdelijk en het is ver bij Ede vandaan. Het is te vinden in Jeruzalem aan de straat die HaPalmach heet. Het is een roemruchte naam, want ze betekent zoiets als ‘stoottroepen’. We hebben het over een Joodse elite-eenheid die al voor de stichting van de Joodse Staat in 1948 actief was in het land. Aan die straat in Jeruzalem zit nu geen elite-eenheid, maar zitten wij, Rien en Pietie Vrijhof, tijdelijke vertegenwoordigers van het CIS in Israël. Niet dat heel Jeruzalem dat weet, zover zal het ook wel niet komen, maar het is wel mooi dat ieder die met het CIS verbonden is het weet. Wij mogen voor korte tijd representanten zijn van een visie die zegt: als het om de relatie Israël en de kerk gaat dan hebben we het over ‘luisteren, dienen en getuigen’. Dat is de visie waar het CIS voor staat, en waar het adres aan de HaPalmach invulling aan wil geven.

We zijn er nog niet zo lang, maar we hebben al wel heel bescheiden geprobeerd te luisteren, te dienen, te getuigen. Zo was er een bijeenkomst van een groepje Joden en christenen, die samen het bijbelboek Romeinen willen gaan lezen. De groep is een voortzetting van de Matteüskring, waar ds Aart Brons een paar jaar leiding aan heeft gegeven. Die groep besloot na het vertrek van ds Brons om verder te gaan met Paulus’ brief aan de Romeinen. Het samen lezen van Joden en christenen van Matteüs was al spannend, maar hoe zal het zijn als je samen die ongelooflijk belangrijke brief aan de Romeinen gaat lezen? De sfeer was en is heel open. De groep is in de regel bij elke samenkomst evenwichtig van samenstelling, evenveel Joodse als christelijke deelnemers.

We lazen van hoofdstuk 1 de eerste 17 verzen. Over allerlei elementen uit dat stukje tekst werd doorgepraat. Eén element licht ik er dit keer even uit, vers 16a, waar staat: ‘Want ik schaam mij het evangelie niet.’ Een Joodse deelnemer vroeg: waarom spreekt Paulus hier over schaamte? Hoe komt hij op de gedachte dat zijn boodschap iets met schaamte te maken zou hebben? Als je je ergens voor schaamt dan heb je toch zoiets als een slecht gevoel? Waarom zou Paulus beweren dat hij geen slecht gevoel heeft? De groep werd aan het denken gezet.

Gaandeweg kwamen er vier gedachten op tafel waarom Paulus dat woord schamen kan hebben gebruikt. De eerste was: Paulus schrijft aan mensen in Rome, die omringd zijn door een fascinerende cultuur. Mogelijk wil Paulus zeggen: en toch tegenover die verblindende Romeinse cultuur houd ik vast aan dat goede nieuws dat een Gekruisigde de ware Redder is. Daar voegde iemand het volgende aan toe: in Paulus’ eerste brief aan de Korintiërs komt naar voren dat het kruis voor Joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid is. Paulus zal ook wel te horen hebben gekregen dat hij zich eigenlijk zou moeten schamen voor zo’n vreemde boodschap. Dat bracht vervolgens weer iemand op de gedachte dat Paulus ook tegenover zijn beroemde Joodse leermeesters aan schaamte kan hebben gedacht. Hij had de beste opleiding gehad die je je kon denken. Hoe kon hij dan zo dwaas zijn om te geloven dat Gods heil in een gekruisigde Messias te vinden is? En een vierde opmerking die op tafel kwam verwees naar woorden van Jezus. Had Hijzelf niet over schaamte gesproken, toen Hij zei: ‘Want ieder, die zich voor Mij en voor mijn woorden zal schamen, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van de Vader en de heilige engelen.’

De conclusie was dat het niet schamen van Paulus te maken had met de bijzondere boodschap waaraan hij zich gelovig gewonnen had gegeven en die hij nu uitdroeg in de wereld. Er werd nog veel meer besproken op de bijeenkomst. Zo werd het spannend toen een christelijke deelnemer het opnam voor Abraham, en een Joodse voor Mozes. Iets voor de volgende keer.

Ds Rien Vrijhof