De zeven voor de zeventig

Het lijkt een raadselspreuk: de 7 voor de 70. Maar zo stond het wel op het kaartje dat ik kreeg van een jonge Joodse man. In de verte had ik zijn tafeltje met wat zwarte spullen erop al zien staan aan de rand van het wandelpad. Hij stond er in zijn keurige pak, hoed op, de gedenkkwasten duidelijk zichtbaar, wachtend op voorbijgangers. Toen ik aan kwam lopen vroeg hij of ik de gebedsriemen, die zwart blinkend op het tafeltje lagen, wilde aanleggen. Ik moest hem teleurstellen, want gebedsriemen zijn alleen voor Joodse mannen. Hij vroeg of ik Joods was. Ook daar moest ik nee op zeggen. Wacht, zei hij, dan heb ik iets anders voor u. En toen ik kreeg het kaartje met die aanduiding: de 7 voor de 70.

Het kaartje is een klein geschenk van de Chabad beweging; een organisatie die jonge Joodse mensen wil betrekken bij het Joodse geloof. Dat is nodig, want ook onder Joodse jongeren is veel synagoge-verlating. Maar Chabad heeft nog een tweede doel: en dat is de mensen uit de volken ertoe op te roepen als rechtvaardigen te leven. Hoe kunnen de volken dat doen? Door de 7 te houden. Dat zijn de 7 universele wetten die God via Noach aan de wereld heeft bekend gemaakt. De 7 voor de 70 betekent: God heeft een speciale relatie met Israël, aan wie Hij de 613 geboden en verboden heeft gegeven, maar voor de overige volken op aarde (die worden de 70 genoemd) zijn er 7 universele geboden.

Op het kaartje worden die 7 geboden kort omschreven: geloven in één God, God eren, het menselijke leven bewaren, familiebanden respecteren, niet stelen, geen vlees eten van dieren die nog leven, en zorgen voor een rechtvaardige samenleving. Wie de geschiedenis van Noach nauwkeurig naleest in de bijbel kan die regels eruit opdiepen.

Het zijn regels, die ook in het Nieuwe Testament een rol spelen. Als in het boek Handelingen de vraag op tafel komt hoe mensen uit de (70) volken die in Jezus gaan geloven zich zullen gedragen is de conclusie: in hun levenswijze hoeven zij zich niet te houden aan de 613 ge- en verboden die aan Israël zijn gegeven, maar kunnen ze volstaan met de geboden van Noach. In Hand 15 (NBV) lezen we dat de apostelen en de oudsten in Jeruzalem afspreken: ‘… dat we de heidenen die zich tot God bekeren geen al te zware lasten moeten opleggen, maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf. In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.’ Wat deze regels precies inhielden konden in die tijd de gelovigen uit de heidenen overal in synagogen navragen. Dat is vandaag ook nog mogelijk, niet in iedere stad maar wel op het wereldwijde web!

Het kaartje van de jongeman van Chabad herinnerde mij aan de basale rechtvaardigheid die God van alle mensen vraagt, maar die vaak zo ver weg is. En ook begon ik me af te vragen of de kerk niet te gemakkelijk afscheid heeft genomen van de Jeruzalemse richtlijnen uit Hand. 15.

Ds Rien Vrijhof, Jeruzalem